© Wietsebas 2017
De Nederlandse Schapendoes - Rasstandaard FCI 313 Hieronder volgt een opsomming van de in de rasstandaard vermelde raspunten, zoals die, volgens voorschrift van de F.C.I., voor de Nederlandse Schapendoes is vastgesteld. Zo'n standaard probeert zo goed en duidelijk mogelijk het uiterlijk en de verschijning van het ras in woorden uit te beelden. Om ons ras goed te kunnen beoordelen moet je de raspunten en hun huidige stand van zaken in het ras dusdanig goed kennen, dat je ze rustig vergeten mag als dat noodzakelijk wordt door een veranderde situatie. Hierbij is het natuurlijk niet toegestaan om de raspunten naar behoeven te interpreteren wanneer men ze eigenlijk niet kent. Dit is natuurlijk voor een ieder wel duidelijk. Verder zijn tussen haakjes wat aanvullende puntjes genoteerd. Deze staan dus niet zelf in de standaard vermeld, maar dit betreft extra info, al dan niet, voor rekening van de schrijver. Algemene verschijning Een Schapendoes is een licht gebouwde langharige hond die verend en licht beweegt en bovendien een opmerkelijke springer is. (Oor-, oog- en neuszintuigen zijn gelijkmatig ontwikkeld. Het springerige van dit ras is een zeer opvallende eigenschap naast de grote behendigheid en zekerheid waarmee ze neerkomen. Met name hun lichte bouw draagt hiertoe bij. Het zijn werkhonden, in het bijzonder herdershonden, voor op de Heide, in bouw, geest en aard en mogen dan ook niet ontaarden in zogenaamde tentoonstelling honden.) Temperament Vrolijk, vriendelijk, enthousiast en temperamentvol. (Temperamentvol betekent niet dat ze zenuwachtig mogen zijn, maar geïnteresseerd / gespannen. Ze zijn dapper, waaks en verder vertonen ze een grote 'liefde' voor hun baasje.) Grootte De schofthoogte voor teven is 40 tot 47 cm. Voor reuen ligt dit tussen 43 en 50 cm. (Doordat ons ras nog steeds niet "af' is, zijn de maten nog ietwat variabel.) Hoofd en schedel De schapendoes heeft een overvloedige beharing op het hoofd waardoor dit groter, vooral breder en in de schedel veel dieper lijkt. De schedel is bijna plat, heeft een matige groef en sterke wenkbrauwbogen. De schedel is vrij breed ten opzichte van de lengte en is iets groter dan de afstand tussen de stop (waar de schedellijn overgaat in de neuslijn) en het einde van de achterhoofdsknobbel. De snuit is korter dan de afstand tussen de stop en het einde van de achterhoofdsknobbel. De neuslijn ligt iets lager dan de schedellijn en de stop verloopt geleidelijk. Sterk uitspringende jukbeenderen. De snuit versmalt weinig, blijft diep en eindigt breed en ietwat rond. Van opzij gezien moet bij gesloten mond de onderkaak duidelijk te zien zijn (Om de verhoudingen enigszins door het vele haar te kunnen vaststellen, zul je keurmeesters (en ook anderen) vaak met hun handen de snuit- en schedelverhouding zien meten.) Ogen De ogen zijn vrij groot, rond en liggen normaal in de oogkassen. Ze zijn meer voor in het hoofd, dan opzij geplaatst. De kleur is bruin en mag niet de indruk wekken zwart te zijn. Het oogwit mag alleen bij sterk opzij kijken zichtbaar worden. De uitdrukking is vrij- moedig, eerlijk en levendig. Vorm, kleur en uitdrukking zijn karakteristiek voor dit ras. (Het oog mag niet uitpuilen en niet te diep liggen. Bovendien ziet men graag donkerder dan lichte ogen.) Gebit Het gebit is normaal ontwikkeld en scharend. (Frequent ziet men nog schapendoezen met gebitafwijkingen, dat dit niet goed is spreekt voor zichzelf. Kleine afwijkingen, zoals een lichte overbeet, er past een dubbeltje tussen boven- en ondersnijtanden, is niet de ergste fout. Toch moeten we zeer alert blijven op dit soort afwijkingen. We kennen allemaal de uitdrukking "van kwaad tot erger". Bovendien staan dit soort afwijkingen meestal niet op zichzelf. Naast gebitsfouten treffen we onder andere ‘te’ lange tongen en ‘te’ korte staarten aan. Voorts mag het gebit niet zwaar zijn.) Oren Deze zijn vrij hoog aangezet, niet groot, niet vlezig en hangen los langs, maar niet tegen het hoofd. Ze zijn lang behaard en beweeglijk, maar mogen nimmer boven de schedellijn uitkomen. (Door 'het werken met de oren' lijkt de kop soms nog breder dan dat die al is; voorts ziet men graag een dun oortje. In het oor zit ‘soms’ een ribbel, die overigens niet dik mag zijn. Soms gebeurde het dat de tatoeëerder per ongeluk het nummer in die ribbel zette, waardoor er later soms een vouw in het oor kwam die er van nature niet ingezeten zou hebben. Door de overgang naar het systeem met geïmplanteerde chips zal dit tot het verleden behoren.) Hals Het hoofd wordt door een krachtige en droge hals gedragen. Romp De schapendoes is iets langer dan hoog. Het geraamte is licht, buigzaam en veerkrachtig. De ribben zijn matig tot goed gewelfd en lopen ver door naar achteren. De borst is diep, de buiklijn niet sterk opgetrokken. De ruglijn toont een welving in de lendenen, die sterk gespierd zijn. (Als een hond goed op gewicht zit, kun je de ribben voelen, maar mag je ze niet zien zitten. Bij ons ras zul je vanwege het haar moeten berusten in voelen. Een volwassen teefje weegt zo'n 14 á 16 kg, een reu al gauw 18 kg of meer Omdat we het over een werkras hebben moeten we alert blijven op een gelijkmatigheid in de bouw.) Voorhand De voorbenen zijn recht en licht van bot. De voorhand moet goede hoekingen en voorborst tonen. De voormiddenvoet is veerkrachtig. (Het niet tonen van voorborst kan enerzijds aan de bouw van de romp liggen, anderzijds is het vaak in combinatie met een onjuiste schouderligging of verkeerde hoekingen in de voorhand.) Achterhand De achterhand heeft een goed hellend bekken. De achter- benen zijn in de sprong matig gebogen en goed gespierd. De hakken zijn laag. (Hoge hakken, echte liefde; maar lage hakken betekent dat de afstand van de voet tot de "enkel", de hak dus, niet te hoog mag zijn.) Voeten De voeten zijn tamelijk groot en veerkrachtig in een brede ovaalvorm, waarbij de tenen aaneengesloten zijn. De voetkussens zijn dik en verend, met ruim haar ertussen. De Hubertusklauw is toegestaan. (De tenen moeten aaneengesloten zijn met ruim haar ertussen, maar het haar tussen de voetkussens mag natuurlijk niet geklit zijn waardoor de hond belemmerd wordt in zijn lopen. Te lange beharing moet men ovaalvormig bijwerken. De beharing onder de voet moet niet te lang worden.) Staart De staart is lang, goed behaard en gevederd en hangt bij rust neer. De staartdracht is voor dit ras kenmerkend. In rust neer, in draf vrij hoog gedragen daarbij gebogen duidelijk heen en weer bewegend en in galop zich waterpas strekkend. Als ze springen dient die staart duidelijk als roer. Als ze aandachtig zijn is de staart soms sterk geheven, maar mag nooit stijf over de rug worden gedragen. Kleur en beharing Een does heeft een dichte vacht met voldoende ondervacht. Een geduchte kuif, een baard en een snor. De beharing is lang, minstens 7 cm lengte op de achterhand. De haren zijn niet streng recht maar golven iets. Uitgesproken krulhaar is niet toegestaan. De haren groeien dicht opeen, zijn dun, droog en vooral niet zijdeachtig. De vacht heeft de neiging waar deze lang is, in plukjes van elkaar te staan, waardoor de schapendoes vooral achter een grote omvang krijgt. Alle kleuren zijn toegestaan. De voorkeur gaat echter uit naar blauwgrijs tot zwart. Gangwerk Omdat een schapendoes bij werk (o.a. voor de herder) meer galoppeert dan draaft, moet het gangwerk licht en verend zijn, zonder enige overbodigheid. Hij moet goed kunnen springen en snel kunnen wenden. (Naarmate de hond sneller loopt zie je dat de ideale lijn, met zo min mogelijk bodemgebruik, gevolgd wordt. Met andere woorden: dat de hond steeds nauwer loopt.) Reu Beide testikels moeten in het scrotum zijn ingedaald. Diskwalificerende fouten Een does mag niet bang en/of vals zijn. Toont hij dit gedrag in de ring dan wordt hij van plaatsing of kwalificatie uitgesloten. Fouten Alle afwijkingen van voorgaande raspunten dienen als fout te worden beschouwd. Hoe men dit aanrekent, zal nauwkeurig moeten worden afgemeten aan de mate waarin die fout voorkomt. Deze standaard is opgemaakt in november 1988 en gepubliceerd onder F.C.I. nr. 313. De schapendoes valt in Nederland onder de rasgroep Herdershonden, F.C.I. groep 1.
up up up up up up up
TOP1
© Wietsebas 2015
De Nederlandse Schapendoes - Rasstandaard FCI 313 Hieronder volgt een opsomming van de in de rasstandaard vermelde raspunten, zoals die, volgens voorschrift van de F.C.I., voor de Nederlandse Schapendoes is vastgesteld. Zo'n standaard probeert zo goed en duidelijk mogelijk het uiterlijk en de verschijning van het ras in woorden uit te beelden. Om ons ras goed te kunnen beoordelen moet je de raspunten en hun huidige stand van zaken in het ras dusdanig goed kennen, dat je ze rustig vergeten mag als dat noodzakelijk wordt door een veranderde situatie. Hierbij is het natuurlijk niet toegestaan om de raspunten naar behoeven te interpreteren wanneer men ze eigenlijk niet kent. Dit is natuurlijk voor een ieder wel duidelijk. Verder zijn tussen haakjes wat aanvullende puntjes genoteerd. Deze staan dus niet zelf in de standaard vermeld, maar dit betreft extra info, al dan niet, voor rekening van de schrijver. Algemene verschijning Een Schapendoes is een licht gebouwde langharige hond die verend en licht beweegt en bovendien een opmerkelijke springer is. (Oor-, oog- en neuszintuigen zijn gelijkmatig ontwikkeld. Het springerige van dit ras is een zeer opvallende eigenschap naast de grote behendigheid en zekerheid waarmee ze neerkomen. Met name hun lichte bouw draagt hiertoe bij. Het zijn werkhonden, in het bijzonder herdershonden, voor op de Heide, in bouw, geest en aard en mogen dan ook niet ontaarden in zogenaamde tentoonstelling honden.) Temperament Vrolijk, vriendelijk, enthousiast en temperamentvol. (Temperamentvol betekent niet dat ze zenuwachtig mogen zijn, maar geïnteresseerd / gespannen. Ze zijn dapper, waaks en verder vertonen ze een grote 'liefde' voor hun baasje.) Grootte De schofthoogte voor teven is 40 tot 47 cm. Voor reuen ligt dit tussen 43 en 50 cm. (Doordat ons ras nog steeds niet "af' is, zijn de maten nog ietwat variabel.) Hoofd en schedel De schapendoes heeft een overvloedige beharing op het hoofd waardoor dit groter, vooral breder en in de schedel veel dieper lijkt. De schedel is bijna plat, heeft een matige groef en sterke wenkbrauwbogen. De schedel is vrij breed ten opzichte van de lengte en is iets groter dan de afstand tussen de stop (waar de schedellijn overgaat in de neuslijn) en het einde van de achterhoofdsknobbel. De snuit is korter dan de afstand tussen de stop en het einde van de achterhoofdsknobbel. De neuslijn ligt iets lager dan de schedellijn en de stop verloopt geleidelijk. Sterk uitspringende jukbeenderen. De snuit versmalt weinig, blijft diep en eindigt breed en ietwat rond. Van opzij gezien moet bij gesloten mond de onderkaak duidelijk te zien zijn (Om de verhoudingen enigszins door het vele haar te kunnen vaststellen, zul je keurmeesters (en ook anderen) vaak met hun handen de snuit- en schedelverhouding zien meten.) Ogen De ogen zijn vrij groot, rond en liggen normaal in de oogkassen. Ze zijn meer voor in het hoofd, dan opzij geplaatst. De kleur is bruin en mag niet de indruk wekken zwart te zijn. Het oogwit mag alleen bij sterk opzij kijken zichtbaar worden. De uitdrukking is vrij- moedig, eerlijk en levendig. Vorm, kleur en uitdrukking zijn karakteristiek voor dit ras. (Het oog mag niet uitpuilen en niet te diep liggen. Bovendien ziet men graag donkerder dan lichte ogen.) Gebit Het gebit is normaal ontwikkeld en scharend. (Frequent ziet men nog schapendoezen met gebitafwijkingen, dat dit niet goed is spreekt voor zichzelf. Kleine afwijkingen, zoals een lichte overbeet, er past een dubbeltje tussen boven- en ondersnijtanden, is niet de ergste fout. Toch moeten we zeer alert blijven op dit soort afwijkingen. We kennen allemaal de uitdrukking "van kwaad tot erger". Bovendien staan dit soort afwijkingen meestal niet op zichzelf. Naast gebitsfouten treffen we onder andere ‘te’ lange tongen en ‘te’ korte staarten aan. Voorts mag het gebit niet zwaar zijn.) Oren Deze zijn vrij hoog aangezet, niet groot, niet vlezig en hangen los langs, maar niet tegen het hoofd. Ze zijn lang behaard en beweeglijk, maar mogen nimmer boven de schedellijn uitkomen. (Door 'het werken met de oren' lijkt de kop soms nog breder dan dat die al is; voorts ziet men graag een dun oortje. In het oor zit ‘soms’ een ribbel, die overigens niet dik mag zijn. Soms gebeurde het dat de tatoeëerder per ongeluk het nummer in die ribbel zette, waardoor er later soms een vouw in het oor kwam die er van nature niet ingezeten zou hebben. Door de overgang naar het systeem met geïmplanteerde chips zal dit tot het verleden behoren.) Hals Het hoofd wordt door een krachtige en droge hals gedragen. Romp De schapendoes is iets langer dan hoog. Het geraamte is licht, buigzaam en veerkrachtig. De ribben zijn matig tot goed gewelfd en lopen ver door naar achteren. De borst is diep, de buiklijn niet sterk opgetrokken. De ruglijn toont een welving in de lendenen, die sterk gespierd zijn. (Als een hond goed op gewicht zit, kun je de ribben voelen, maar mag je ze niet zien zitten. Bij ons ras zul je vanwege het haar moeten berusten in voelen. Een volwassen teefje weegt zo'n 14 á 16 kg, een reu al gauw 18 kg of meer Omdat we het over een werkras hebben moeten we alert blijven op een gelijkmatigheid in de bouw.) Voorhand De voorbenen zijn recht en licht van bot. De voorhand moet goede hoekingen en voorborst tonen. De voormiddenvoet is veerkrachtig. (Het niet tonen van voorborst kan enerzijds aan de bouw van de romp liggen, anderzijds is het vaak in combinatie met een onjuiste schouderligging of verkeerde hoekingen in de voorhand.) Achterhand De achterhand heeft een goed hellend bekken. De achter- benen zijn in de sprong matig gebogen en goed gespierd. De hakken zijn laag. (Hoge hakken, echte liefde; maar lage hakken betekent dat de afstand van de voet tot de "enkel", de hak dus, niet te hoog mag zijn.) Voeten De voeten zijn tamelijk groot en veerkrachtig in een brede ovaalvorm, waarbij de tenen aaneengesloten zijn. De voetkussens zijn dik en verend, met ruim haar ertussen. De Hubertusklauw is toegestaan. (De tenen moeten aaneengesloten zijn met ruim haar ertussen, maar het haar tussen de voetkussens mag natuurlijk niet geklit zijn waardoor de hond belemmerd wordt in zijn lopen. Te lange beharing moet men ovaalvormig bijwerken. De beharing onder de voet moet niet te lang worden.) Staart De staart is lang, goed behaard en gevederd en hangt bij rust neer. De staartdracht is voor dit ras kenmerkend. In rust neer, in draf vrij hoog gedragen daarbij gebogen duidelijk heen en weer bewegend en in galop zich waterpas strekkend. Als ze springen dient die staart duidelijk als roer. Als ze aandachtig zijn is de staart soms sterk geheven, maar mag nooit stijf over de rug worden gedragen. Kleur en beharing Een does heeft een dichte vacht met voldoende ondervacht. Een geduchte kuif, een baard en een snor. De beharing is lang, minstens 7 cm lengte op de achterhand. De haren zijn niet streng recht maar golven iets. Uitgesproken krulhaar is niet toegestaan. De haren groeien dicht opeen, zijn dun, droog en vooral niet zijdeachtig. De vacht heeft de neiging waar deze lang is, in plukjes van elkaar te staan, waardoor de schapendoes vooral achter een grote omvang krijgt. Alle kleuren zijn toegestaan. De voorkeur gaat echter uit naar blauwgrijs tot zwart. Gangwerk Omdat een schapendoes bij werk (o.a. voor de herder) meer galoppeert dan draaft, moet het gangwerk licht en verend zijn, zonder enige overbodigheid. Hij moet goed kunnen springen en snel kunnen wenden. (Naarmate de hond sneller loopt zie je dat de ideale lijn, met zo min mogelijk bodemgebruik, gevolgd wordt. Met andere woorden: dat de hond steeds nauwer loopt.) Reu Beide testikels moeten in het scrotum zijn ingedaald. Diskwalificerende fouten Een does mag niet bang en/of vals zijn. Toont hij dit gedrag in de ring dan wordt hij van plaatsing of kwalificatie uitgesloten. Fouten Alle afwijkingen van voorgaande raspunten dienen als fout te worden beschouwd. Hoe men dit aanrekent, zal nauwkeurig moeten worden afgemeten aan de mate waarin die fout voorkomt. Deze standaard is opgemaakt in november 1988 en gepubliceerd onder F.C.I. nr. 313. De schapendoes valt in Nederland onder de rasgroep Herdershonden, F.C.I. groep 1.
up up up up up up up